Ik ben Omar

Ik ben Omar
15 mrt 2015

Proloog


Eigenlijk durft Ayman het krantenartikel niet te lezen. Maar de kop laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. “Polderjihadi Omar: Martelaar.” ‘Mijn naam had daar moeten staan,’ denkt Ayman grimmig. ‘Mijn naam en niet die van Omar.’ Een paar minuten lang kijkt hij zonder iets te zien naar het krantenartikel. Dan pakt hij zijn telefoon. “Henk,” neemt de supermarktmanager op. “Ik, ik voel me niet lekker,” zegt Ayman.

Ik ben Omar

“Helaas past u niet in het gewenste profiel,” staat er in het mailtje dat Ayman ziet als hij zijn laptop opent. Alweer een afwijzing op zijn sollicitatie. Gelul. Ayman zit met gloeiende ogen achter zijn computer, inmiddels een oud bakbeestje, maar hij heeft geen geld voor een nieuwe. En werk vinden lukt steeds maar niet. Hij grijpt zijn pennenhouder en gooit deze met kracht tegen de muur. Kapot. Aangeslagen begint hij de pennen weer bij elkaar te zoeken. Hij zet ze nu in een plastic bekertje.

Normaal zou Ayman na een ochtend werk zoeken de fiets pakken naar het strand. Vanuit zijn woonplaats Den Haag is het strand goed bereikbaar en veel beters heeft hij toch niet te doen. Maar na een zonnige ochtend hebben aan het begin van de middag donkere wolken de zon geblokkeerd en voorzichtig begint het te regenen. En het lijkt er niet op dat dat gauw op zal houden. “Gelul.” Ayman spuugt de woorden uit, tegen niemand, want er is niemand anders thuis. Hij is een Nederlander, geboren in België en met Jordaanse ouders. In Nederland vinden ze hem een Marokkaan, al heeft hij daar geen banden mee, en ook in België en Jordanië heeft hij niets te zoeken.

Aymans broekzak trilt. “Kom om één uur, we moeten praten.” Abu, ziet Ayman, een vriend van de Turkse moskee die Ayman in de afwezigheid van een Jordaanse moskee frequenteert. Meestal is Abu niet zo kortaf, het moet wel serieus zijn.

Hij sloft naar beneden, maakt een paar boterhammen voor de lunch klaar en sloft al kauwend naar boven om zijn kleren aan te trekken. Waarom zou je je netjes aankleden als je toch geen werk hebt?

Altijd heeft Ayman zich zeer netjes gekleed, geen trainingsbroeken, geen overdaad aan grote gouden ringen en kettingen, geen gouden tanden. Altijd schoor hij zich netjes. De meeste Nederlanders zonder Jordaanse ouders zouden er minder Nederlands uitzien. Maar zijn naam blijft een obstakel. De laatste tijd is er de klad in gekomen, hij scheert zich eens in de week en draagt veelal oude spijkerbroeken.

Hij was overgekwalificeerd voor de baan waarop hij solliciteerde, een designbaan, heeft aantoonbaar ervaring in het werk en een portfolio waar veel andere designers van watertanden. ‘Past niet in het profiel.’ In ieder geval krijg ik nog een afwijzing, denkt Ayman cynisch. Zelfs dat geluk treft hem meestal niet. Voor zijn ouders legt hij een briefje neer, beide werken lange dagen en verdienen daarmee net genoeg voor het karige huurhuis in een volksbuurt.

In Abu’s woonkamertje, hij woont nog steeds in een studentenappartement, ziet Ayman Lakia, de vriendin van Abu, en Khaled zitten. ‘Natuurlijk ook Khaled,’ denkt Ayman, want hij weet dat Khaled heimelijk een oogje op Lakia heeft. Abu komt binnen. “Luister.” Abu’s baard is nog verder gegroeid sinds de vorige keer dat Ayman hem sprak en ook draagt hij een soort jurk in plaats van een spijkerbroek. Lakia draagt een hoofddoek, ook dat is nieuw. “Onze broeders in Syrië worden vernietigd, totaal uitgeroeid door de ongelovigen, door de satanisten, door de khawarij. We moeten hen bijstaan.” Ayman schuift onrustig heen en weer. Moet hij naar Syrië toe om daar te vechten? En wie zijn eigenlijk die afvalligen? “Het is onze plicht voor de ummah.” “Ga mee,” stoot Khaled hem aan. “Wat heeft dit land je nog te bieden? En het is je moslimplicht.” “Ik ga mee,” zegt Ayman, fermer dan hij zich voelt.


Waarom solliciteer je niet meer?” vraagt Aymans vader hem tijdens het avondeten. Het is een zaterdag, enkele weken na de bijeenkomst bij Abu thuis. Ayman heeft niets gezegd over zijn aanstaande vertrek naar Syrië. Vliegtickets naar Ankara zijn geboekt, vrienden vertelde hij dat hij ‘op vakantie’ gaat. Abu regelt een gids die hen de grens over smokkelt en daar denken ze aansluiting te kunnen vinden bij Al Nusra, een zusterorganisatie van ISIS. Ayman mompelt wat. Hij is pas na de lunch uit zijn bed gekomen, net zoals gisteren en eergisteren. Gisteravond heeft hij tot laat in de Koran gelezen en op radicale islamitische sites gesurft. “Wat zeg je?” vraagt zijn vader door. “Het heeft toch geen zin,” mompelt Ayman nu iets duidelijker. Zijn vader vraagt niet verder. Later op de avond komt hij erop terug: “Je moet iets met je toekomst, jongen.” Ayman zegt toe maandag weer achter werk aan te gaan.

De hele ochtend heeft Ayman winkels afgelopen, op zoek naar een baan. Hij heeft zich zelfs geschoren. Veel vertrouwen heeft hij er niet in en eigenlijk wil hij ook niet, tenslotte gaat hij over een maand naar Syrië. Maar op deze manier wil hij zijn vader laten zien dat het echt geen zin heeft om te solliciteren.

Als hij thuiskomt ligt er een brief op de mat, een zwart randje op de envelop. Een oud-docente blijkt overleden. Ayman twijfelt. Zou hij naar de begrafenis gaan?

Het zwarte pak mag weleens afgestoft, ziet Ayman als hij het uit de kast tevoorschijn tovert. Hij hoopt dat er geen klasgenoten bij de begrafenis zijn, zin om uit te leggen waarom hij geen werk heeft ziet hij niet zitten. Dat hij gaat is eerder een opwelling dan een rationele beslissing.

Onwennig en van plan om bij iedere bekende die hij ziet weg te duiken, kijkt Ayman van achterin toe hoe het leven van zijn oud-docente gememoreerd wordt. Haar kinderen hielden van haar en ook enkele oud-leerlingen komen aan het woord. Ze was een bijzonder en geliefd mens. En haar overlijden onverwachts. Omdat hij ook de afgelopen dagen naar werk zocht, heeft hij zich steeds geschoren. Nu heeft hij er spijt van, iedereen kan hem herkennen.

“Hey.” Ayman voelt een hand om zijn middel. “Susan.” Ayman schrikt. Susan zat een klas lager dan hij, haar broer Jim, een vriend van Ayman, zat bij hem in de klas. En ze kwam dan ook regelmatig bij haar broer zitten. Hij heeft hem al een paar jaar niet gesproken.

“Ze was als een moeder voor mij als mijn moeder er niet was.” Ayman herinnert zich dat Jim weleens vertelde dat zijn moeder naar een psychiatrische instelling moest. Dan zaten zij alleen in huis, zijn vader kookte eten, tenzij hij avonddienst had. Hij legt zijn hoofd tegen haar blonde haren en pakt haar schouder vast. “Het spijt me. Het moet moeilijk voor je zijn.” Ze zwijgt even, zucht dan. Hij ziet dat Susan gehuild heeft, haar ogen zijn rood. Ayman is blij dat hij niet hoeft te praten. Hij knijpt haar even in de schouder. Susan glimlacht naar hem. “Ik vind het fijn dat je er bent.”

Ayman en Susan spreken af om die donderdag wat te drinken.

Die avond zit Ayman weer in het kamertje van Abu. De lucht is bedompt en er hangt een ongewone spanning. De gordijnen zijn half dichtgeschoven, alsof Abu niet wil dat er mensen naar binnen kunnen kijken. Lakia zit links van hem en Khaled zit daar weer naast. Op een ongemakkelijke stoel zit een lange man, stijf rechtop, met een geconcentreerd maar niet onvriendelijk gezicht. Onder zijn kin hangt een vlassig baardje. Hij heeft ongeveer de leeftijd van Abu, schat Ayman, maar hij ziet een stuk volwassener uit. Een beetje hakkelend begint Abu te spreken. De lange man onderbreekt hem. “Ik ben Omar, Omar Yilmaz, soldaat. Ik bereid jullie voor op de strijd.” De hele avond geeft Yilmaz instructies. Als Abu iets wil zeggen, onderbreekt Omar hem steeds.

“Je kijkt bezorgd.” Nu is Susan niet in stemmig zwart gekleed, maar in een felrood topje, met daaronder een veelkleurige rok, tot ruim boven de knieën. Ayman wendt zijn gezicht af. Als goede moslim kan hij daar niet naar kijken. Susan lacht. De geur van haar Eau de Cologne doet Ayman naar het blozende gezicht van Susan kijken. Voor het eerst ziet hij haar niet slechts als zusje van Jim. Ze is nu een stuk vrolijker dan tijdens de begrafenis. “Ik had hier echt zin in,” zegt Susan. “Ik ook.”

Omar Yilmaz vindt de groep te kinderlijk, te weinig gedisciplineerd en te weinig ervaren, zegt hij bij de volgende bijeenkomst, een week later. Ze hebben meer training nodig. De rest van de week komen ze iedere avond bij elkaar, spelen rollenspellen, krijgen instructies met houten wapens en rennen en kruipen door het bos. ’s Avonds kruipt Ayman uitgeput in bed en in de ochtend staat hij veel opgewekter dan anders op. Eindelijk heeft hij het idee dat zijn leven een doel heeft.

“Zin in een lunch?” Ayman schrikt op van een sms’je. Susan. Daar heeft hij wel zin in. De hele ochtend kan Ayman aan niemand anders denken dan Susan. Ook de koranstudie lukt niet. Ayman schudt zijn hoofd. Hij mag nu niet verslappen. Snel knipt hij zijn baard bij als hij zich vlak voor vertrek netjes aankleedt. Het valt zijn moeder ook op. “Doei,” roept hij als hij zijn veters strikt. “Shit,” rent hij weer naar boven. Ayman spuit een luchtje van zijn vader op. Zoet, ruikt hij.

Susan zit al bij het lunchcafeetje. Ayman ziet haar met de rug naar hem toe zitten als hij zijn fiets wegzet. Haar goudgele haren lichten op de in de zon, net als haar beige top. Ze draagt een strakke spijkerbroek die haar vrouwelijke trekken op geen enkele manier verbergt. Ayman voelt dat hij op een splitsing staat, zijn ontluikende gevoelens zijn niet verenigbaar met de Jihad. Wat hij ook doet, hij moet het volledig doen. Susan kijkt om. Ze zwaait vrolijk. Ayman trekt een brede glimlach en loopt op haar af.

Voor ze er erg in heeft, geeft hij Susan een zoen op de wang, net te lang om een gewone begroeting te zijn. Susan is even van haar stuk gebracht. ‘Zou ik nu te ver gegaan zijn?’ vraagt Ayman zich af. Dan pakt Susan met een hand zijn achterhoofd vast, met de andere zijn slaap en daarmee trekt ze zijn mond tegen de hare. Die middag zweeft Ayman naar huis. Zijn moeder glimlacht.

Maandagavond zwoegt de groep weer in het bos. Over boomstammen klimmen, onder stammetjes doorkruipen, elkaar op de nek dragen. Omar drilt allen. “Jullie moeten sterk zijn, anders ben je dood voordat je de strijd hebt kunnen voeren.” Abu reageert boos: “Als je het zo goed weet, waarom ga je dan niet zelf?” Omar wil een vinnige opmerking maken, Ayman ziet het aan zijn ogen. Dan zucht hij. “Kan ik niet mee?” Die reactie had Abu niet verwacht. “Uhm.” Ze spreken af de volgende dag te vergaderen.

“Vier man. Meer wil onze contactpersoon niet meenemen.” Abu weet duidelijk niet goed wat hij moet doen. Hij was zelf degene die Omar Yilmaz uitdaagde. Nu kan hij niet meer terug. “Ik heb het georganiseerd, ik moet mee. En Lakia hoort bij mij, zij gaat ook mee.” Ayman kijkt naar Khaled. Khaled heeft geen betere conditie dan hij. En hij is minder scherpzinnig. Maar Khaled zou niet kunnen leven zonder zijn verborgen dromen over Lakia. Omar is een echte militair, dat hij veel meer in Syrië kan betekenen, is Aymar wel duidelijk. “Ga maar, ik kom bij een latere mogelijkheid.” “Beloofd?” vraagt Abu? “Beloofd.”

Dezelfde avond annuleert Ayman zijn vliegticket.


Maanden zijn voorbij gegaan. Ayman heeft een baan als assistent-manager bij de buurtsuper aangenomen, veel keuze heeft hij niet. Kort na het vertrek van Abu, Lakia, Khaled en Omar stelt Ayman Susan aan zijn ouders voor. Enkele dagen later leest hij de krant.

“Omar Yilmaz, de Nederlandse militair die voor Al Nusra in Syrië vocht, is vorige week omgekomen in de stad Homs. Dat melden bronnen uit de zwaar-belegerde stad in Syrië. De oud-militair werd getroffen door een omgevallen elektriciteitspaal.”

Ayman fietst naar huis, zijn ouders zijn afwezig. Thuisgekomen stapt hij met zijn kleren nog aan in bed en trekt zijn kussen over zijn hoofd. Zo treffen zijn ouders hem aan het einde van de middag aan, met een uitgescheurd krantenartikel in de hand. “Ik ben Omar,” is de enige uitleg die zijn ouders krijgen.


 Verhaal geschreven voor mijn eerdere studie journalistiek aan de Christelijke Hogeschool in Ede


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *