Het dwaze dagboek van Peter Egbers

Het dwaze dagboek van Peter Egbers
15 sep 2015

Week 1

Maandag 14 september

Ik besloot vandaag een fictief dagboek bij te gaan houden. Dus ik naar de kantoorboekhandel, stap de trappen op die naar de langgerekte winkel leiden, loop naar binnen en vraag de eigenaar, die vandaag in de winkel staat, naar een dergelijk dagboek. Hij fronst.

Even wrijft hij ernstig met zijn vinger over zijn bovenlip. “Ik heb er toevallig eentje”, zegt hij terwijl hij naar de toonbank loopt. Hij pakt een plastic tasje en doet er onder de toonbank wat in. “Dat wordt dan dertig euro.” Na betaling doet hij het bonnetje in het tasje en geeft het me. Het is verrassend licht.

Thuisgekomen leg ik het tasje even aan de kant om een eerder afgenomen interview uit te werken. Met de tong uit de mond werk ik geconcentreerd een kleine twee uur door, dan sta ik op om een beker koffie te halen. Ik denk: Laat ik maar even het dagboekje pakken. Ik heb weliswaar nog geen inspiratie, maar dat komt vanzelf.

Ik pak het tasje op en haal het bonnetje eruit. Ik kijk nog eens in het tasje. Niets. Ergens begin ik te vermoeden dat de eigenaar van de kantoorboekwinkel iets niet goed begrepen heeft. Enfin, ik zal maar een niet-fictief dagboek op mijn computer gaan bijhouden. Er is vandaag niets bijzonders gebeurd om over te schrijven. Maar morgen toch zeker wel?

Dinsdag 15 september

Mijn hospita, Dien, had vanmorgen een briefje achtergelaten. Wat er moet gebeuren met het lege plastic tasje waarop met grote letters ‘Belangrijk!’ staat? Dat moet ik haar vanavond maar even uitleggen.

Als ik op de fiets wil stappen, blijkt mijn achterband lek. Na plakken, fiets ik richting de bieb, ik wil het interview dat ik gisteren uitwerkte nog even nakijken en wil voor een volgend verhaal even wat informatie opduikelen. Papieren boeken werken voor mij het beste daarvoor. Een kat springt verschrikt weg als ik langsfiets. Een onschuldige voorbijganger rent een cafeetje binnen, trekt de gordijnen van de ramen en vouwt gooit deze over zijn nek. Hij wijst naar mij. “De wereld vergaat!” hoor ik hem roepen als ik de oordopjes uit mijn oren haal, hoewel het rammelen van mijn fiets hem bijna overstemt. Mijn fiets maakt wel wat herrie.

Het interview kan nog een stuk scherper, zie ik als ik het bij de bieb voor de neus heb. De geïnterviewde, een televisiepresentator van de Evangelische Omroep, heeft wat pittige uitspraken gedaan, waarvan ik de impact nog kan versterken door het te contrasteren met het uiterlijk van de interviewlocatie –een oude kerk- en door aandacht te besteden aan zijn gezichtsuitdrukkingen. Oh, de presentator citeert ook nog iemand, tenminste: ik ken zijn uitspraak ergens van. Voor ik het weet heb ik zes boeken naast mij op tafel liggen en zit ik een zogenaamde longread over milieuvervuiling op internet te lezen. Waarom ook alweer?

Ondertussen zie ik op mijn laptop dat het half vijf is. Ik zou ook nog even een aantal boeken doornemen. Nou ja, dat komt morgen.

Woensdag 16 september

Aan het begin van de avond overleed mijn televisie tijdens de wedstrijd Ajax-Porto en ik kon hem niet reanimeren. Toen ik naar beneden ging om te kijken of ik misschien de televisie van mijn hospita even kon gebruiken, bleek dat zij één of ander vrouwenprogramma aan het kijken was. Terwijl ik Dien omstandig uitleg waarom juist deze voetbalwedstrijd zo ontzettend belangrijk is, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat ze me besmuikt uitlacht. Ik zal me wel vergissen.

Ondertussen de rest van de avond naast Dien op de bank zitten kijken naar Ik Vertrek. Uiteindelijk liet ze me op Teletekst de uitslagen bekijken. Heb ik me daarom zo druk gemaakt?

Donderdag 17 september

Vannacht gedroomd over kwebbelende vrouwen, ruziënde kinderen en verbouwproblemen. Ik werd zwetend wakker, met mijn dekbed strak om me heen gewikkeld. Ik voelde me net een mummie. Dit zal niet mijn dag worden.

Secretaressen zijn trouwens een plaag voor de mensheid. Ik kreeg er vanmorgen één aan lijn om een interviewafspraak met de directeur van een christelijke NGO te maken. Deze secretaresse bleek opgeleid te zijn om onschuldige mensen een burn-out aan te smeren en slaagde daar vermoedelijk cum laude voor.

Zij: Goedemorgen, [naam van grote christelijke NGO], met Truus de Vries, mag ik u helpen?

Ik: Goedemorgen, met Peter Egbers, ik wil graag een interviewafspraak maken met directeur Gerrit [achternaam].

Zij: Goedemorgen, meneer Davids

… [stilte]

Ik: Egbers is de naam. Wanneer kan ik een afspraak maken voor een interview?

Zij: Namens welk bedrijf belt u?

Ik: Ik ben freelance journalist

Zij: Ik dacht dat u een partnership wilde afsluiten

Ik teken een horizontaal streepje op mijn kladblok.

Ik: Heeft u misschien de agenda van de directeur bij de hand?

… [stilte]

Zij: Om een partnership af te sluiten, moet u bij de afdeling klantcommunicatie zijn

Ik teken een verticale streep op mijn kladblok.

Ik, met ingehouden woede in mijn stem: Ik wil als freelance journalist graag een interview met de directeur, voor een christelijk blad, over zorgen die leven over de gezondheid van de organisatie. Wanneer schikt het?

Zij: Oh, u bent een journalist. Zeg dat dan. Dan moet ik even in de agenda kijken

Stilte, terwijl ik een nieuwe horizontale lijn op mijn kladblok teken.

Zij: Volgende week maandag heeft hij een gaatje vrij. Schikt dat?

Ik kijk in mijn agenda.

Ik: Jazeker, hoe laat?

Zij: Om half drie.

Ik: Zet ik dat in mijn agenda.

Zij: Een kwartier is toch wel genoeg, hè?

Ik teken gefrustreerd twee diagonale lijnen op mijn kladblok.

Ik: Een uur zou ongeveer genoeg kunnen zijn, misschien dat ik een paar minuten extra nodig heb.

Zij: Een uur?

Ik hoor dat ze zich in haar koffie verslikt. Ik stel me voor dat ze in haar hoofd op zoek is naar het laatje met interviews van een uur, mogelijk langer. Dat laatje vindt ze niet.

… [stilte]

Zij: Misschien moet u dat toch even met de directeur bespreken. Dank u wel voor dit gesprek, dááág.

[tuut, tuut, tuut]

Even zit ik verdwaasd voor me uit te kijken. Ik teken een verticale lijn op mijn kladblok. Ik bel opnieuw:

Zij: Goedemorgen, met Truus de Vries, mag ik u helpen?

Ik: Hallo, ik weer. Hoe maak ik nu een afspraak?

Zij: Meneer Davids, goedemorgen.

Ik teken gefrustreerd een cirkeltje op mijn kladblok.

Zij: Stuurt u een mailtje met uw gegevens en uw vraag naar truus.de.vries@[naam van de organisatie].nl. Alvast bedankt, meneer Davids.

Ik ben opgebrand.

Ik, met berusting: Dank u, mevrouw De Veter. Dat zal ik doen.

‘De Vries’ hoor ik haar nog roepen als ik ophang.

Vrijdag 18 september

Een berichtje op Facebook geplaatst wie een tweedehands televisie voor me heeft. Binnen een uur zes vrienden die me gratis een tv aanbieden, allemaal een beeldbuis. Works fine for me, dus de hele middag de stad doorgefietst om verschillende televisies te keuren. Uiteindelijk met de redelijk nieuwe televisie van Frans de Korte naar huis gegaan, een tv van middelgroot formaat. Met de bus, mijn fiets haal ik morgen wel op. Ik bedenk me dat ik eens een verhaal moet schrijven over de steeds verder uitdijende ruil-economie. Misschien dat ik mijn vele kwaliteiten eens kan ruilen voor de huurkosten van mijn kamer.

Zaterdag 19 september

‘Biertje, vanavond?’, smst buurjongen Dennis. Ik zit alweer in de bieb te werken, ditmaal aan een essay over de zorg voor ouderen voor een bijlage van een landelijk dagblad. Ik heb wel zin in een biertje met Dennis. Dennis Groothuis is een jonge elektricien, is vooralsnog afhankelijk van losse klussen en uitzendwerk en woont daarom nog thuis. In de ruime achtertuin van zijn ouders kan je goed rond de vuurkorf zitten en ik ga af en toe met hem en zijn ouders mee naar de evangelisch-lutherse kerk. Die bevalt goed en is dichterbij dan de evangelische kerk waar ik lid van ben. ‘Ik moet mijn fiets nog ophalen bij Frans de Korte,’ sms ik. ‘Dat kan morgen ook wel.’ Daar ben ik het wel mee eens, dus die avond zit ik bij Dennis en zijn ouders Danielle en Frank bij het knisperende houtvuur, met een biertje in de hand.

“Willen de christelijke bobo’s nog een beetje happen?” vraagt Frank. Ik vertel over het telefoongesprek van woensdag. Als ik klaar ben zie ik dat Frank, Danielle en Dennis tranen in de ogen hebben van het lachen. Dennis schudt zo dat hij niet doorheeft dat hij bier op zijn kleren morst. Net goed, moet hij me maar niet uitlachen.

Uitleg

Ik heb dit eerder geschreven met het oog op de Dwaze Schare, maar aangezien het daar niet zo goed in te passen was en de Dwaze Schare als website niet meer bestaat, plaats ik maar wat hier. Misschien dat ik de andere ruime vier weken die ik geschreven heb ook een keer online zet, dat hangt ook van het enthousiasme of gebrek daaraan hier af. Voor de kenners kan dat geen verrassing zijn, maar ik heb me hiervoor enigszins laten inspireren door de dagboeken van Adrian Plass.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *