Het verhaal van de verloren zoon en de omarming van de heidenen

Het verhaal van de verloren zoon en de omarming van de heidenen
28 okt 2015

God ontvangt iedere zondaar die bij hem terugkeert met blijdschap, besprak ik in mijn vorige stukje over de gelijkenis van de verloren zoon. Als standaard-uitleg voldoet deze prima, maar ik zie daarnaast een speculatievere en gedurfdere mogelijkheid. Ook hiervoor geldt volgens mij dat deze de tekst en de context minder geweld aandoet dan de evangelische uitleg. In deze uitleg staat de jongste zoon voor de heidenen.

Paulus beschouwt zichzelf nadrukkelijk als apostel voor de heidenen. Dat lijkt me algemene kennis. Als je bijvoorbeeld Bart Ehrman leest over de vroege christendommen, dan zie je dat er volgens hem verschillende stromingen in het christendom waren, waarvan uiteindelijk de proto-orthodoxe stroming gewonnen heeft. ‘Proto-orthodox’ staat voor ‘zij die wij tegenwoordig orthodox noemen’, min of meer dus het christendom dat wij nu kennen. Je had ook andere stromingen, zoals de marcionieten (die het Oude Testament afwezen en de god van het Oude Testament zagen als een soort kwade tegenhanger van de goede god van het Nieuwe Testament) en de ebionieten (die vonden dat de nieuwe heidense gelovigen zich moesten laten besnijden en zich aan de wetten moesten houden). Wie hier meer van wil weten, raad ik aan om het boek Lost Christianities van Ehrman te lezen.

Wat in de context van deze gelijkenis belangrijk is, is 1. dat Paulus beide andere stromingen vrij duidelijk afwijst, 2. dat er binnen de vroege kerk discussie is over de rol van het jodendom en over de plaats van heidenen in de kerk (Bart Ehrman vermoedt dat Petrus bijvoorbeeld dichter bij de opvattingen van de ebionieten zit) en 3. Dat Lucas een medewerker is van Paulus en zeer waarschijnlijk veel opvattingen met hem deelt.

Als we nu opnieuw naar het verhaal van de verloren zoon gaat kijken, kan je de rollen wat anders indelen. De vader blijft in dit verhaal God, de oudste zoon is Israël, de Joden of de Joodse volgers van Jezus die besnijdenis eisen, afhankelijk van hoe de auteur precies naar die verhoudingen keek, en de jongste zoon zijn de gelovigen van heidense volken, die eens verloren waren, maar nu gevonden. Ook hier geldt uiteindelijk dezelfde boodschap: Dat God de vader blij is met elke verlorene die gevonden wordt én dat de niet-verlorenen blij moeten zijn met elke verlorene die gered wordt. En dus moeten de Joodse gelovigen in Christus blij zijn met elke heiden die zich tot de nieuwe weg bekeert, ook als deze zich niet volledig aan de wet houdt.

David Stern ziet niet zoveel in deze uitleg, hij beschouwt de uitleg zoals ik die in het eerdere stukje geef als beter. Dat denk ik ook, maar dat maakt deze uitleg niet perse onwaar.

In deze uitleg zou in het verre verleden de rest van de wereld afgedwaald zijn (de jongste zoon), terwijl de oudste zoon, Israël, bij God bleef. Nu de heidenen door Christus terugkeren, vreest een deel van de Joden die Christus volgen voor hun positie, een niet onbegrijpelijke vrees. In deze context zou God daarop reageren als: Wees niet jaloers, maar wees blij, want jullie broeders (Ismaël, Esau, alle andere volken) die eens verloren waren, zijn weer terug.

Ik denk dat het belangrijkste argument tegen mijn opvatting ligt in het feit dat in de Hebreeuwse teksten vaak de jongste zoon voor Israël staat (Exodus 4:22 is hier een uitzondering). Niet Ismaël, de oudste, is kind van de belofte, maar Isaäk, de jongste. Niet oudste Esau is aartsvader en naamgever van Israël, dat is zijn jongere broer Jakob. Iets vergelijkbaars zie je ook met de zegening van de kinderen van Jozef, waarbij Jakob de jongste zoon Efraïm boven de oudste Manasse plaatst. De Hebreeuwse traditie heeft een voorkeur van de jongste boven de oudste, zou je kunnen zeggen, waarbij Israël als geheel soms geassocieerd wordt met de jongste. In dat opzicht zou het verbazing wekken als Israël in deze gelijkenis met de oudste wordt geassocieerd.

Er zouden goede redenen kunnen zijn om Israël anders dan gebruikelijk niet met de jongste zoon te associëren. Die moeten dan of in de gelijkenis zelf zitten of er moet duidelijk gemaakt worden dat in de tijd van Jezus of van de schrijvers van het evangelie er vaker aan Israël gerefereerd werd als de oudste zoon.

Een voorbeeld in de eerste categorie wordt gegeven door Fritz Rienecker in zijn Das Evangelium des Lukas erklärt, waarin hij uitlegt dat in het Hebreeuwse erfrecht de oudste zoon niet alleen de grootste erfenis krijgt, maar ook tijdens het leven van de vader al meer over de toekomstige erfenis te zeggen heeft. “Bei dem Jüngeren,” schrijft hij op pagina 368, “der nach dem Vater und nach dem Erstgeborenen und Haubterben im Vaterhaus die dritte Stelle einnahm, kontte leicht der Wunsch entstehen, wenigsten über dem Teil seines Vermögens frei verfügen zu können.” Als je dus kijkt naar de rollen in het verhaal, vanuit het perspectief van het Hebreeuwse erfrecht, ligt voor de hand om de jongste weg te laten gaan en dus van de jongste de heiden te maken, ook al is de jongste meestal Israël.

Maar in de periode dat de evangeliën geschreven werden, werd ook wel aan Israël gerefereerd als de oudste zoon, bijvoorbeeld in IV Ezra 6:57 en 58, een boek van het einde van de eerste eeuw: “Maar nu, Heer, zelfs die volken die als niets geacht zijn, overweldigen en vertrappen ons; wij echter, uw volk, dat Gij uw eerstgeborene, uw enige zoon, uw geliefde genoemd hebt, wij zijn in uw hand gegeven!” Belangrijk hier is dat Israël Gods eniggeboren zoon is en dus per definitie de oudste. Het is dus wel een duidelijk andere situatie. Dat is niet zo’n probleem, ik moet erkennen dat er veel tegen mijn idee is in te brengen en maar relatief weinig dat mijn idee ondersteunt.

Wat voor mij belangrijk is, is dat er verder wordt gekeken naar deze gelijkenis dan als zijnde het in mijn ogen toch wel typische evangelische bekeringsverhaal. En zowel de variant in mijn eerste stukje als deze, die wat wankeler is, zijn zeker zo redelijk als het evangelische verhaal. En meer dan dat heb ik niet willen bereiken. En geef toe, het zou fascinerend zijn als deze gelijkenis een rol gespeeld zou hebben in de ontzettend interessante discussie over hoe de vroege christenen zich moeten verhouden tot de eerste heidengelovigen.

Naschrift, 17 december 2015, 12.52 uur. De inleiding wat aangepast om een korte intro op de frontpage te kunnen zetten.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *