Pastafari in de gevangenis; verdere uitwerking van een niet-religieus karakter

Pastafari in de gevangenis; verdere uitwerking van een niet-religieus karakter
14 apr 2016

Stephen Cavanaugh, een gevangene in de staat Nebraska, klaagt de gevangenisdirectie, de heer Bartels als vertegenwoordiger hiervan, aan omdat hij in zijn godsdienstuitoefening beperkt zou zijn door de gevangenis. Cavanaugh claimt een pastafari te zijn.

In deze zaak draait het allemaal om de vraag of het pastafarianisme een religie is, waar ik me eind januari al tegen verzette. Toen schreef ik al:

“Voor alle helderheid: Ik bespreek hier niet of het geloof in het Vliegend Spaghettimonster waar is of dat het geloof hierin redelijk is, waar het mij slechts om gaat is of de zelfbenoemde aanhangers van het geloof in het Vliegend Spaghettimonster daadwerkelijk in dit Vliegend Spaghettimonster geloven. Om de een of andere reden gelooft de heer Blomjous dat het de KvK gaat om de inhoud van het geloof.”

Dit bespreekt de rechtbank in deze zaak ook kort, maar hij bespreekt nog een aantal andere vragen die nuttig zijn om langs te lopen: Wat is religie? Zijn de opvattingen van Cavanaugh en het pastafarianisme religieus of seculier? Is de ‘Gospel van het Vliegend Spaghettimonster’ te vergelijken met satire van Jonathan Swift of fictie van Vonnegut en Heinlein of zijn die geschriften vergelijkbaar met religieuze teksten?

Voor Cavanaugh is dit belangrijk, want hij eist de vrijheid voor het dragen van religieuze kleding en attributen (te denken valt aan piratenkledij), de vrijheid van samenkomst met medegelovigen en de vrijheid om communie te ontvangen. De gevangenisdirectie ontzegt Cavanaugh deze vrijheden omdat Cavanaugh niet een religie aanhangt, maar een parodie op een religie.

Praxis
Een vergelijkbare overweging wat betreft het in de praktijk gebrachte religie als ik hierboven heb weergegeven, heeft de rechtbank in de zaak tegen Bartels (p. 8):

“Although RLUIPA bars inquiry into whether a particular belief or practice is central to a prisoner’s religion, it does not preclude inquiry into the sincerity of a prisoner’s professed religiosity. The “truth” of a belief is not open to question; rather, the question is whether the objector’s beliefs are truly held.”

Op precies dit punt ben ik in mijn eerdere stuk uitgebreid ingegaan en het lijkt me niet zinvol om daar nog verder op in te gaan. Voor de meeste mensen die zich zo nu en dan als het hun uitkomt aanduiden als pastafari, geldt dat zij zich in de praktijk niets gelegen laten liggen aan welk voorschrift of welke aanwijzing binnen het zogenaamde pastafarisme dan. Een oordeel over of dit ook voor Cavanaugh geldt, heeft de rechtbank niet, maar ook geen aanwijzingen voor het tegendeel. En het valt de rechtbank op dat Cavanaugh het aan de rechtbank overlaat om de zogenaamde heilige teksten van de pastafari te lezen, in plaats van zelfstandig zijn opvattingen aan de rechtbank uit te leggen. Ook blijkt dat Cavanaugh nauwelijks concreet is in welke praktijken hij precies moet navolgen en hoe die eruit zijn en hoe de beperking van deze praktijken een significante beperking is van zijn religieuze praxis (p. 12).

Wat is religie en is het pasatafarianisme religieus?
Op een andere kwestie gaat de rechtbank uitgebreider in en dat is de vraag of het pastafarianisme een religie is. Daarvoor heeft de rechtbank een aantal criteria (p. 8 & 9):

1. Een religie adresseert fundamentele en ultieme vragen over diepe en onvoorstelbare kwesties.
2. Religie is in zijn aard veelomvattend, het bestaat uit een systeem van opvattingen, in tegenstelling tot een geïsoleerde lering.
3. Een religie kan herkend worden aan de aanwezigheid van formele en externe tekenen.

Het ingewikkelde in de afweging of het zogenaamde geloof in het Vliegend Spaghettimonster een religie is, is dat het pastafarianisme ontworpen is om op een religie te lijken. Maar het is het niet, zegt de rechtbank (p. 9), omdat de leringen over het VSM een ad hoc en duidelijk satirisch karakter (p. 10) hebben, omdat het pastafarianisme geen fundamentele en ultieme vragen adresseert, maar een satirische variant vormt van een bepaald type religieus argument, en omdat het pastafarianisme niet voor bijvoorbeeld atheïsme of humanisme pleit, terwijl die wel volgens deze criteria als religieus gelden. Over atheïsme en humanisme zegt de rechtbank dit:

“Those belief systems, although not theistic, still deal with issues of “ultimate concern” and take a position “on religion, the existence and importance of a supreme being, and a code of ethics.”

De positie van pastafarianisme is slechts dat religieuze opvattingen niet als wetenschap gepresenteerd moeten worden, de rest is afleiding, en daarmee moet het als een seculiere discussie gezien worden, stelt de rechtbank terecht.

Swift
De ‘Gospel van het Vliegend Spaghettimonster’, zegt de rechtbank, is niet meer een aansporing om in bovennatuurlijk spaghetti te geloven dan Jonathan Swifts A Modest Proposal een aansporing is tot kannibalisme. De rechtbank zegt hierover dat dit geen theologische kwestie is, het is puur een kwestie van lezen en begrijpen op basis van face value. Ik ben het met het oordeel eens, maar als theoloog geloof ik niet in een lezen op basis van face value, wat deze face value is, is afhankelijk van voorkennis en van wereldbeeld. Maar er is reden dat de rechtbank zich op deze face value beroept, uit de voetnoot van pagina 10 blijkt dat Cavanaugh zelf claimt dat hij de zogenaamde Gospel op face value neemt.

Wat mij echter helder is, is dat de teksten van de zogenaamde ‘Gospel van het Vliegend Spaghettimonster’ zo geconstrueerd zijn om op bestaande religieuze teksten te lijken en in dat opzicht is er wel reden om met Pete Ward te spreken van para-religion, een verschijnsel dus dat naast (para) religie staat en enige overeenkomende kenmerken heeft, maar geen religie is (hoewel Ward hiermee vooral doelt op celebrity-culture, zijn er wel paralellen te herkennen). De rechtbank noemt het daarom een satire waar men een politiek punt mee wil maken en concludeert:

“To read it as religious doctrine would be little different from grounding a “religious exercise” on any other work of fiction. […]Of course, there are those who contend and Cavanaugh is probably among them that the Bible or the Koran are just as fictional as those books. It is not always an easy line to draw. But there must be a line beyond which a practice is not “religious” simply because a plaintiff labels it as such. The Court concludes that FSMism is on the far side of that line.”

Door de mand vallen

In mijn vorige stuk heb ik betoogd dat de zogenaamde Kerk van het Vliegend Spaghettimonster geen religieus karakter heeft omdat de zelfverklaarde volgelingen in hun dagelijkse praxis duidelijk maken dat zij in hun eigen claims niet geloven. Deze rechtbank voegt daar nog aan toe dat het pastafarianisme zich probeert te vermommen als religie, de term para-religie komt hier van pas, maar ondertussen een seculier punt probeert te maken. Ook heeft de Gospel van het Vliegend Spaghettimonster volgens de rechtbank een fictief en seculier karakter, ook al imiteert zij religieuze teksten.

Ook in Duitsland speelt een kwestie rond het Vliegend Spaghettimonster en ook hier komt de rechter tot een vergelijkbaar oordeel. Kerken en religieuze gemeenschappen hebben het recht in Templin om bord neer te zetten met adres en tijden van kerkdiensten. Pastafari in Templin wilden het recht om ook zo’n bord neer te kunnen zetten, maar hadden er geen belang bij om zo’n bord neer te zetten, zij willen blijkbaar helemaal geen regelmatige bijeenkomsten organiseren en lijden geen schade door de afwezigheid van het bord. Ook hier verliezen pastafari hun zaak. Ook hier gaat het niet om de inhoud van het geloof of om de redelijkheid van het geloof, maar om de geloofwaardigheid van de volgelingen. Die alweer door de mand vallen.

Schrijf je in voor mijn maandelijkse nieuwsbrief, met analyses van religie, politiek en samenleving:


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *